Recensie van ‘En de Mens schiep god’
De Vlaamse publicist Lucas Catherine (pseudoniem van Lucas Vereertbrugghen) heeft al vele titels op zijn naam staan, die voor een belangrijk deel gaan over de islam, de Arabische wereld en het Israëlisch-Palestijnse conflict. Vanwege dat laatste heeft hij de naam ‘antisemiet’ te zijn, een kwalificatie die je in sommige kringen al snel opgedrukt krijgt als je je enigszins kritisch over de politiek van de staat Israël uitlaat.
Door: Bert Altena
In zijn boek En de Mens schiep God wijdt hij ook een paragraaf aan het ‘bloed-en-bodemfundamentalisme in het land van de Bijbel’. De terminologie mag dan niet zo fijnzinnig gekozen zijn, op antisemitische uitspraken valt hij niet te betrappen. Hij laat zien hoe het fundamentalisme binnen het streng orthodoxe jodendom is ontstaan en aan invloed wint. Zoals dat ook het geval is in andere religies. Catherine bespreekt ook het hindoefundamentalisme en uiteraard het fundamentalisme in islam en in het christendom. In de laatste traditie kwam het in de 19e eeuw op als reactie op het modernisme. Zo is het fundamentalisme te zien als een ‘moderne’ uitvinding, in defensief op ontwikkelingen sinds de Verlichting en de Franse revolutie.
Catherine zet de verschillende gegevens beknopt op een rijtje. Inmiddels is de lezer dan al in het derde deel van zijn boekje beland, dat aan de fundamentalistische reactie is gewijd. Daarvoor heeft hij twee delen geschreven over respectievelijk de ‘gelaagde’ en de ‘belaagde’ religie.
In het eerste deel put hij zich uit om te laten zien hoe religie, met name onze christelijke religie, bestaat uit een schier onontwarbare kluwen van joodse, Germaanse, heidense en christelijke elementen. Niet alleen alle heiligen hebben prechristelijke voorgangers, ook de christelijke feesten zijn gebouwd uit de elementen van allerlei oude volksrituelen en buiten bijbelse mythen. Zoals ook de bijbelse verhalen allerlei verwantschap en ontlening vertonen aan andere bronnen.
Als Catherine zich aan het begin van zijn boek enigszins vertederend zijn moeder herinnert die op Palmzondag gewijde palmtakjes gaat halen om achter het houten kruisbeeld te steken en in de tuin te planten, vertelt hij dat dit gebruik te maken heeft met de Germaanse god Donar. Het houten kruisbeeld is een verbinding met de heilige houtstronken en bomen; de takjes in de grond verwijzen naar de vruchtbaarheid die Donar met zijn regens bracht. Moeder wist dat niet, maar, zo stel ik me voor, heeft blijkbaar ook nooit onder dit gebrek aan kennis geleden. Precies op dat punt ontstaat de vraag wat Catherine nu met zijn publicatie beoogt. Dat religie gelaagd is, samengesteld uit allerlei rituelen, gebruiken, verhalen van diverse herkomst en parallel aan andere religieuze tradities, is niets nieuws. Het mag bij de eenvoudige gelovigen niet altijd algemeen bekend zijn, maar wat verandert deze kennis aan hun geloof en hun geloofsbeleving? Hij wekt soms de indruk dat deze kritiek op de religie wel moet leiden tot het door hem zelf aangehangen atheïsme (De wereld kent slecht twee soorten mensen: Zij die een geloof hebben en geen verstand en zij die verstand hebben en geen geloof – het sweeping statement van de Arabische filosoof Al Ma ‘ari, dat Catherine tot zijn belijdenis uitroept, pagina 13). Waarom dan de religie niet al lang verdwenen is, is een vraag waar atheïstische apostelen als onze Lucas maar slecht raad mee weten. Als het mechanisme dat godsdienst produceert wordt blootgelegd, betekent dat niet dat de redenen waarom de Mens zich een God schept daarmee zijn beantwoord.
Catherine presenteert zijn boek als een geactualiseerde heruitgave van een eerdere versie uit 1996. Ik ken dat niet, dus weet niet goed wat er nu veranderd, verbeterd of aangevuld is. De literatuurlijst telt slechts drie titels van na 1996, zodat je niet het vermoeden krijgt dat zijn aanvulling op de nieuwste wetenschappelijke inzichten steunt.
Hij schrijft over het algemeen informatief, soms wat kort door de bocht en net iets te gewild grappig (“De gemiddelde Belgische gepensioneerde die nog naar Lourdes reist, gaat er vooral naartoe om trappist te drinken, niet vanwege het Heilig Water”, pagina 135), maar over het algemeen onderhoudend. Tegelijk kreeg ik niet goed helder wat hij met dit boekje beoogt. In zijn nawoord schrijft hij dat het is geboren uit verwondering en komt hij weer met zijn oude moeder aanzetten. Haar devote omgang met de palmtakjes, een traditie van meer dan 1000 jaar, is volgens hem bezig in één generatie uit te sterven: “Ik ben nu meer dan zestig en niemand van mijn generatie die nog met buxustakken zeult”, pagina 203. Die stelligheid wordt ondergraven door zijn eigen vermelde waarneming van een klant in een Brusselse bakkerij die zijn palmtakjes bij zich had, of was dat een vreemdeling die verdwaald is?
Catherine’s atheïstische geloof, dat de zegeningen van de wetenschap de religie achterhaald maken, is zelf al lang achterhaald. Het maakt hem blind voor het gegeven dat de christelijke religie niet verdwijnt maar verandert, zoals ze steeds zich aangepast heeft in wisselende culturele en sociale omstandigheden. Voor iemand die de gelaagdheid van de religie onderzoekt, is het toch wel vreemd dat hij bij het beoordelen van de hedendaagse religieuze situatie dit kerninzicht over het hoofd ziet.
Klik hier voor meer informatie over dit boek.
Bert Altena is predikant in Assen. Voor meer informatie: www.bertaltena.com.



